Missie & visie

1.   Missie van de Wonder-wijzer

Tijdens het laatste visie-weekend van het bestuur in november 2017, voelden we de noodzaak om even “back to basics” te gaan. We streefden ernaar om de missie van de school kort maar krachtig weer te geven en omschreven ze als volgt:

“De Wonder-wijzer is een kleine basisschool. Alle kinderen zijn bij ons welkom en krijgen gelijke kansen. Je goed in je vel voelen is basis om veel te leren, voluit te ontwikkelen met respect voor elkaar en voor de omgeving.

Leren op de Wonder-wijzer is leren voor het leven”

2. Pedagogisch project  (algemene visie)

We maken met onze school deel uit van het vrij gesubsidieerd, niet confessioneel onderwijs in Vlaanderen. We ressorteren onder FOPEM, de federatie van methodescholen en maken deel uit van de SOM, de Scholengemeenschap van onafhankelijke methodescholen.

We zijn een zeer jonge school en vaak nog zoekend naar de juiste handvaten om school te maken. Van bij de start in 2010 hebben we een aantal visieteksten neergeschreven die uitgangspunt blijven voor ons pedagogisch project.

  • Als het over leren gaat :  

“Alle levende wezens vertonen ontwikkeling als een kenmerkende eigenschap. 
Dat geldt voor planten, voor dieren en zeker voor de mens.” 

Op onze school vertrekken we vanuit de visie dat een kind zich in zijn totaliteit ontwikkelt. Het is dus noodzakelijk om bij het begeleiden van dit ontwikkelingsproces rekening te houden met alle aspecten van de ontwikkeling: het cognitieve, het muzisch-creatieve, het dynamisch-affectieve, het psycho-motorische en het sociale. Alleen dan kan je zeker zijn dat een kind voldoende kansen  krijgt om zich ten volle te ontplooien. 

Het geloof dat je als leerkracht of als ouder dit proces kan beïnvloeden is de drijfveer om samen te blijven zoeken naar wat kinderen nodig hebben om tot fundamenteel leren te komen.  Fundamenteel leren staat tegenover oppervlakkig leren en herken je aan het feit dat de opgenomen kennis werkelijk iets toevoegt aan je mogelijkheden. Er wordt een stap in de ontwikkeling gezet die leidt tot andere gedragsmogelijkheden. 

Uiteraard hechten wij veel belang aan cognitieve ontwikkeling: het opdoen van kennis. Kinderen moeten open staan om nieuwe dingen te leren.  Wij bieden daarom ervaringsgericht onderwijs, in een levensecht kader. Op regelmatige tijdstippen trekken we de deur van de klas achter ons dicht om de wereld te ontdekken en te verkennen.  Ervaringen die het leren in de klas rijker maken. Het volstaat immers niet dat er enkel kennis aangeboden wordt. Het is vooral de manier waarop deze verwerkt en opgenomen wordt die telt. Met deze open houding ontwikkelen kinderen hun denken: van ‘meedenken’ met de leerkracht en andere kinderen, naar ‘zelf oplossingen zoeken voor problemen’ tot in een laatste fase ‘creatief denken’

Leren voegt alzo iets fundamenteels toe aan de eigenwaarde van kinderen. 

Om deze ontwikkeling optimaal te laten verlopen zorgen we ervoor dat het oefenen en verfijnen van vaardigheden en attitudes betekenisvol verweven zit in onze dagelijkse werking. Zo hechten wij veel belang aan zelfstandigheid, samenwerking, exploratie en experiment, zelfregulering en reflectie, communicatie, initiatief nemen, kritisch zijn, zorg dragen voor, verantwoordelijkheidsgevoel ontwikkelen, creativiteit, … 

We zetten in op talenten van kinderen: waar ben je goed in? Wat doe je graag? Wat kan de ander van jou leren? In de talentenarchipel krijgen de kinderen maandelijks de kans nieuwe talenten te ontdekken of te verruimen. 

Zorgen voor actie is een geslaagde ingang om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Je mag honderd keer horen hoe iets moet, het is pas al doende dat je het leert. Actief leren wordt dan fundamenteel leren: de realiteit mogen en kunnen “grijpen”, leidt tot een dieper “begrijpen”. Dit fundamenteel leren maakt dat de kinderen hun leerproces ervaren als “iets voor het leven” en niet om enkel, via reproductie van kennis,  goede cijfers op een rapport te behalen. Ervaringsgericht onderwijs legt de nadruk op het ontwikkelingsproces en niet op het resultaat of het ‘afgewerkt product’. Leren doen we met kleine stapjes en voor de lange termijn.  

Het leerproces wordt  gestuurd door een team van gedreven leerkrachten die de kinderen, binnen duidelijk bepaalde grenzen en volgens het door de overheid uitgevaardigde leerplan, de kans geven op eigen tempo en volgens eigen kunnen te laten groeien. Uiteraard bewaken de leerkrachten het leerproces van alle kinderen, niet enkel via gerichte toetsen maar ook door het observeren en bijsturen van processen van individuele kinderen. 

Waarom we leren lezen, schrijven en rekenen komt regelmatig aan bod en wordt voor de kinderen tastbaar doorheen de projecten, experimenten.We vertrouwen ook op het groeipotentieel dat elk kind in zich draagt. We streven ernaar de kinderen vanuit hun kracht te laten leren en de zin om verder te groeien te versterken. 

  • Als het over welbevinden gaat: 

In de Wonder-wijzer zijn we ervan overtuigd dat kinderen maar kunnen leren, kennis opdoen, zich ontplooien en openbloeien als ze zich goed in hun vel voelen. Wij werken samen aan een positief schoolklimaat, zowel voor kinderen, leerkrachten als ouders.  

“Zich goed voelen” betekent zichzelf kunnen en durven zijn, openstaan, spontaan en ontspannen kunnen zijn, kunnen en mogen genieten, emotioneel zo vrij mogelijk zijn. 

Werken aan een positief schoolklimaat, hoe doe je dat? Een goede klassfeer hangt voor een groot deel samen met de relaties die in een klascontext worden aangegaan. Daarbij kunnen verschillende relaties worden onderscheiden: 

  • De relatie met de medeleerlingen; 
  • De relatie met de leerkracht; 
  • De relatie met de klas; 
  • De relatie met de ouders; 
  • De relatie met de wereld. 

In al deze relaties vormen erbij horen, niet uitgestoten worden, als “vol” aanzien worden, de sympathie en waardering van anderen ervaren, door anderen begrepen worden, aanvaard worden zoals je bent … ervaringen waar ieder mens nood aan heeft. 

Het is door het realiseren van deze behoeften dat het welbevinden, zowel voor de kinderen, leerkrachten als voor de ouders, in grote mate toeneemt. 

Je bekomt op deze manier een hechte groep met kinderen die veel en open communiceren, die samen groeien en plezier beleven en elkaar goed opvangen als het wat moeilijker loopt. Ze voelen zich dan verbonden.  

De leerkracht draagt hieraan bij door zich te laten leiden door een kindgerichte benadering waarbij bezieling, gedrevenheid, humor, een positieve houding, een gezagsrelatie ipv een machtsrelatie centraal staan. 

Wij erkennen elk kind als echt, elk kind is uniek en welkom. We leren hen kijken naar en omgaan met hun eigen kwaliteiten, eigen karaktertrekken en beperkingen, waardoor zij een realistisch zelfbeeld en een groter zelfvertrouwen ontwikkelen. 

Leerprocessen vertrekken zoveel en waar mogelijk vanuit de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen, wat hun motivatie, gedrevenheid en enthousiasme om te leren actief houdt. Door kinderen betrokken te maken, leren ze daarbij veel intenser en wordt de kennis dieper verankerd. De leerkracht neemt kinderen ernstig, stimuleert hen, luistert echt naar hen, gaat in op vragen, sluit aan bij hun leefwereld, stelt zich op als mee-denker, mee-zoeker.  

Door het graadklassensysteem zijn kinderen beurtelings de oudste of de jongste van de klas. Leren zorg dragen voor de jongere kinderen en zich geborgen weten bij de “groten” zijn daarom kostbare ‘partners’ van elkaar. Ook op onze speelplaats spelen jong en oud samen. 

  • Als het over opvoeden gaat: 

Wij ondersteunen kinderen in de opvoeding tot zelfbewuste mensen, met respect voor anderen in hun omgeving, zodat ze later zelfzeker en met beide voeten op de grond, in de wereld staan. Bovendien zijn de leerlingen zelf voortdurend in interactie met de hen omringende wereld: ze ervaren hoe sociale verbanden in elkaar zitten en hoe regels daarbij ontstaan. Leerlingen komen zo te weten waarvoor regels dienen en of die wel of niet overtreden of veranderd kunnen worden. 

Wij vinden het belangrijk dat kinderen een realistisch zelfbeeld ontwikkelen: weten wat je goed kan en wat je niet goed kan is nodig om zelfvertrouwen te krijgen. Daarbij leren kinderen op de Wonder-wijzer hun eigen sterktes gebruiken om hun beperkingen te compenseren. 

Wij hechten er veel belang aan om kinderen fundamentele levenswaarden mee te geven: zij leren hier aanvaarden dat iedereen anders is, ze leren het goede in de ander zien. 

De school is niet-confessioneel. Dit wil zeggen dat de school niet wil kiezen voor een bepaalde religieuze overtuiging. Kinderen kunnen op school vrijuit over religie en overtuiging praten. Respect voor mekaars geloofsovertuiging is een deel van respect voor de persoon. 

In FOPEM-scholen staat cultuurbeschouwing op de uurrooster  in plaats van godsdienst of zedenleer. Cultuurbeschouwing zit verweven in de dagelijkse klaspraktijk. Vanuit de school nemen we geen initiatief om godsdienstige of levensbeschouwelijke rituelen (communies, ramadan, lentefeest…) te organiseren. We staan er echter wel voor open deze mee te ondersteunen als er initiatief vanuit de oudergroep komt. 

Naast de algemene menselijke waarden (eerlijkheid, respect, rechtvaardigheid, behulpzaamheid,…) is er ook ruimte voor bewondering en verwondering, voor confrontatie met de mooie dingen in het leven en confrontatie met pijn, verdriet en dood. 

  • Als het over zorg gaat: 

In elke school zijn er kinderen die extra aandacht vragen, om welke reden dan ook.  Deze kinderen stellen de school voor de uitdaging om te differentiëren, dit wil zeggen: het aanbod van de school aanpassen aan de noden en mogelijkheden van de kinderen. 

De leerkrachten gaan nadenken over de doelstellingen die ze met het ene kind wel en met het andere kind eventueel niet kunnen bereiken, over hun instructiewijze, over aangepaste materialen die ze nodig hebben en over hun manier van evalueren. 

Wanneer je aanneemt dat kinderen mogen verschillen, aanvaard je dat zowel het leertraject als het begin- en eindpunt mogen verschillen.  Niet alle kinderen moeten op hetzelfde ogenblik en op dezelfde leeftijd hetzelfde kunnen.  Dit veronderstelt flexibele leerlingengroepen. 

  • Als het over (ouder)engagement gaat: 

Ouderparticipatie is absoluut noodzakelijk in onze kleinschalige school. Anders kan de Wonder-wijzer niet bestaan. Het slaat de brug tussen de school en thuis. Ouders krijgen zo een betere kijk op wat er op school in de klas van hun kind gebeurt. De ouders voelen zich nauw betrokken bij de processen die zich afspelen op school. Ze zien hun kinderen  in een andere context, maar een context die verlengstuk van hun thuis wil zijn. De kinderen vinden het zelf leuk dat de ouders meedoen met de activiteiten op school. Iedereen kan van elkaar leren. 

Ouderparticipatie zorgt ervoor dat de taken voor het team verlicht worden. Het maakt het mogelijk voor de school om nog meer activiteiten te organiseren. Tevens krijgen de kinderen meer individuele aandacht. 

Hoe kunnen ouders participeren? 

Iedere geëngageerde ouder wordt verwacht actief deel te nemen aan de organisatie van de school: 

– mee besturen, via de Raad van Bestuur; 

– via het systeem van werkgroepen.( feest, administratie, financiën, pedagogie, medewerkers, nieuwe ouders, infrastructuur, ICT, PR, veiligheid, dagelijks werk, speelplaats, klussen,  …)  

– ondersteunen van activiteiten ( deelnemen /begeleiden/ mee organiseren van uitstappen, kampen, tentoonstellingen , theater, film, feesten, sportdagen, fietstochten, eetdagen, opendeurdagen, …) 

– ondersteunen van het klasgebeuren ( mee begeleiden in de klas, leesouders, atelier, meehelpen met projecten, …) 

– ondersteunen van de omkadering ( soep maken, fruit snijden, poetsen, toezicht houden, , …) 

– door aanwezig te zijn op de oudervergaderingen (infoavonden, evaluaties, Algemene Vergadering, …) 

– uitgebreid evalueren van de schoolwerking … (inspraak, formuleren van voorstellen, …) 

  • Als het over duurzaamheid gaat: 

De wereld is voortdurend in verandering. Onderwijs moet daar op inspelen. Door ecologie, economie en technologie samen te brengen leren we kinderen vertrouwd worden met de uitdagingen van de toekomst. Door veelvuldig contact met de natuur leren we kinderen zorgzaam omspringen met ons milieu. We kiezen voor een milieubewust beleid. 

Milieubewustzijn en sociale rechtvaardigheid zijn waarden waarmee we de kinderen op onze school willen opvoeden. Dit opvoeden houdt niet enkel een theoretisch standpunt in. Ook in de huishouding van de school kiezen we voor milieuvriendelijke producten, vermijden we afval, zijn we zuinig met grondstoffen en energie. Waar we kunnen, vermijden we het om producten of diensten te gebruiken die het resultaat zijn van schadelijke processen of onrechtvaardige praktijken. We doen niet mee aan overconsumptie: voor voeding betekent dit vooral snoep en frisdranken uitsluiten of beperken. Ook in andere aankopen streven we soberheid na. We opteren voor rechtvaardige wereldhandel. Lokale producenten, handelaars en seizoensgebonden producten genieten onze voorkeur, voor zover ze ook aan de andere criteria voldoen. We zien dit ook nog als een groeiproces op onze school. 

In het kader van gezonde voeding zorgt de school viermaal per week voor fruit op school. Ze zorgt ook zelf voor droge koeken en biedt nooit zelf chocolade aan. Bij feesten als Sinterklaas en Pasen zoeken we naar een goed alternatief. Bij de maaltijden voorziet de school kraantjeswater, melk of appelsap dat jaarlijks in september op school geperst wordt. Op vrijdag is er verse soep, bereid door een klasgroepje met hulp van (groot)ouders. 

In de moestuin leren de kinderen de handen uit de mouwen steken: een goede opbrengst garandeert lekkere soep op vrijdag! Uiteraard verdwijnt het groenafval bij de kippen of op onze composthoop… 

Om aan  de mobiliteit- en milieuproblematiek tegemoet te komen organiseert de school een fietspool. Zo leren kinderen zich veilig en milieuvriendelijk te verplaatsen in het verkeer, je hebt geen last van parkeerproblemen, je maakt het hoofd leeg na een dagje op school, … 

We streven ernaar om op termijn zonnepanelen te installeren om zo in eigen energie te kunnen voorzien (verlichting, verwarming, warm water…)

.

3.   Onze visie uitgediept…

  • Als het over leren gaat :  

Een school is een “leer-omgeving”, waarbij vooral het leren van de kinderen beoogd wordt, maar tevens het leren van de leerkrachten en de coördinator. De maatschappelijke context en het onderwijs zijn voortdurend in beweging. Als leerkracht en als coördinator moet je bereid zijn om “levenslang” te leren en je aanpak af te stemmen op die veranderende maatschappelijke context, rekening houdend met nieuwe tendenzen in onderwijs.

Om de kwaliteit van het onderwijs te garanderen, volgen we bij de planning van de lessen de leerplannen van het OVSG (Onderwijssecretariaat voor steden en gemeenten). Deze leerplannen zijn goedgekeurd door de overheid en zijn opgesteld op basis van de ontwikkelingsdoelen en eindtermen die door de Vlaamse Gemeenschap zijn opgelegd. Ook hanteren wij de richtlijnen van onze koepel FOPEM. Zo gebruiken we als leidraad de visie op leren en onderwijzen, opgesteld door de PDB van FOPEM.

 Emancipatorisch onderwijs verbindt FOPEM-scholen 

Onze school behoort tot de koepel van emancipatorische methodescholen ‘FOPEM’. FOPEM ziet scholen als een plaats voor maatschappelijke vernieuwing waar democratie dagelijks ingeoefend wordt. Een school die enkel ‘goede burgers’ wil afleveren, schiet haar doel voorbij. De hamvraag hierbij is niet ‘Wat moeten leerlingen kennen en kunnen om te functioneren in de samenleving?’, maar wel ‘Welke samenleving willen we?’

We hopen samen te werken aan een maatschappelijk-pedagogisch kader waarin leerlingen en leerkrachten zich optimaal kunnen ontplooien zodat we samen streven naar een rechtvaardige, sociale samenleving; dit is de missie van FOPEM. We proberen daarom leerlingen niet enkel te vormen voor de samenleving van vandaag, maar stimuleren hen ook om na te denken over en te werken aan die samenleving.   

FOPEM-scholen geven hun onderwijs vorm vanuit een dynamiek tussen de natuurlijke nieuwsgierigheid van mensen en het appel om de wereld binnen te brengen bij elkaar. We proberen een evenwicht tussen deze ‘onderwijsbronnen’ na te streven. Zowel nieuwsgierige vragen als verrijkende aanbiedingen kunnen vanuit leerlingen, leerkrachten, ouders of anderen komen. Samen trachten FOPEM-scholen elke vraag te beantwoorden om zo een sociale en rechtvaardige samenleving mee uit te bouwen. 

We gaan dus verder dan leerlingen ‘klaarstomen’ voor het ‘echte’ leven. In FOPEM-scholen reiken we leerlingen manieren aan om de samenleving daadwerkelijk te kunnen veranderen en vernieuwen. Enkel zo wordt er echt gestreefd naar een open en rechtvaardige samenleving. Dit streven vindt plaats in drie domeinen waarin het onderwijs functioneert: 

KWALIFICATIE 

de juiste vragen stellen 

SOCIALISATIE 

begrijpen waarom de wereld is zoals die is 

PERSOONSVORMING 

onze verantwoordelijkheid opnemen door geëngageerd in het leven te staan 

Voor FOPEM-scholen vertrekt onderwijs vanuit de vragen die leerlingen stellen over hun omgeving. Leerkrachten werken graag verder op die natuurlijke nieuwsgierigheid van de leerlingen en brengen de wereld bij hen binnen, verrijken de initiële vraag van de leerling. Leerkrachten dagen de leerlingen uit, laten hen zichzelf overstijgen vanuit de ervaring die een kind aanbrengt. We werken dus doelgericht naar die rechtvaardige samenleving toe, het onderwijs is geen middel dat de vaardigheid ‘leren’ wil ondersteunen, maar een doel op zich. 

VISIE OP ONDERWIJZEN EN LEREN 

We streven een rechtvaardige en sociale samenleving na, dat is onze missie met FOPEM. Dit doen we door samen een kader te ontwikkelen waarin iedereen zich optimaal kan ontplooien: leerling, leerkracht, coördinator, ouder… . Dit gemeenschappelijke doel geeft vorm en kleur aan het FOPEM-onderwijs. De visie op onderwijzen en leren gaat uit van een coöperatieve wisselwerking tussen twee onderwijsbronnen. Leren vertrekt in de onderwijspraktijk van FOPEM-scholen niet altijd vanuit de ervaringen of vragen van leerlingen, maar vertrekt ook niet steeds vanuit een vooraf bepaald leerstofaanbod van de leerkracht. De onderwijspraktijk in de FOPEM-scholen steunt net op de dynamiek tussen deze twee bronnen : vragen vanuit een natuurlijke nieuwsgierigheid en een aanbod om de wereld binnen te brengen bij elkaar. Daarnaast kan zowel een vraag als een aanbod vanuit leerlingen, leerkrachten, coördinatoren, ouders of anderen komen. De dynamiek tussen beide bronnen wordt in evenwicht gehouden door vier handelingspatronen  die je in onze scholen kan terugvinden: een coöperatieve werking (1), een geëngageerde houding (2), het streven naar betekenisvolle taken (3) en het respecteren van inspraak en verantwoordelijkheid (4). Deze visie nastreven en respecteren vraagt om een specifieke aanpak  die zich vertaalt in het spiraalleren (5), het streven naar een soepele leerlijn (6) en het gebruiken van de ervaringscyclus (7)

In wat volgt werken we de zeven pijlers van onze visie op onderwijzen en leren systematisch uit. 

DE ZEVEN PIJLERS VAN ONZE VISIE OP ONDERWIJZEN EN LEREN :

  1. Handelingspatroon: COÖPERATIEF 

De onderwijspraktijk van FOPEM-scholen wordt gekenmerkt door coöperatiefwerken.  Aan de ene kant is er de algemene coöperatieve manier waarop FOPEM-scholen werken: democratie is een dagelijkse lespraktijk, het schoolbestuur bestaat uit ouders en leerkrachten, het schoolteam ondersteunt elkaar en werkt elke dag opnieuw samen aan hun pedagogisch project, het zorgbeleid is een gedeelde verantwoordelijkheid. Elke school streeft ernaar om van elke klasgroep een coöperatie te maken. In zo’n klascoöperatie zijn de leerlingen vaak elkaars eerste referentie om van te leren. De leerkracht monitort de coöperatie, daagt uit, prikkelt, organiseert, begeleidt. Aan de andere kant zijn er de coöperatieve werkvormen. We werken op een betekenisvolle manier met leerstof, maar leren leerlingen ook om samen een doel te bereiken. Tenslotte sluit dit ook aan bij de zone van naaste ontwikkeling: leerlingen, leerkrachten, ouders spreken elkaars nieuwsgierigheid aan en verrijken elkaars aangebrachte ideeën. Een coöperatief handelingspatroon is inhoudelijk waardevol, helpt leerlingen en leerkrachten in het samenwerken en draagt bij aan die sociale en rechtvaardige samenleving die we nastreven. 

2. Handelingspatroon: ENGAGEMENT 

Heel wat FOPEM-scholen streven een maatschappelijke oriëntatie na en zoeken daarom naar mogelijkheden om met die gemeenschap die buiten de schoolmuren ligt, samen te werken. Ze komen in contact met elkaar, ondersteunen elkaar, maken kennis met dingen die je niet meteen op school leert of omgekeerd. Voor sommige scholen impliceert dit een nauwe samenwerking met de buurt, voor andere scholen gaat het om de denkoefening ‘Wat als we onze werking eens mentaal verplaatsen buiten het hier en nu?’ De leerkrachten zijn niet zomaar professionals, maar geëngageerde professionals. Hun rol stopt namelijk niet aan de schoolpoort maar is deel van hun persoonlijkheid. Een goede leerkracht gebruikt zijn ervaring en expertise in de klasgroep. Een geëngageerde professional gelooft daar bovenop in het pedagogisch project van zijn school en is gedreven in het nastreven van de schoolmissie. Dit engagement kan zich zowel in een expliciete betrokkenheid als in een impliciete manier van werken tonen. 

3. Handelingspatroon: BETEKENISVOLLE TAKEN 

Concepten in verschillende contexten en op verschillende manieren laten terugkeren, zorgt ervoor dat een leerling de materie echt beheerst en er actief mee aan de slag kan. Leerstof die betekenisvol is, biedt een grotere kans op het vormen van gevarieerde netwerken in de hersenen. Met ‘betekenisvol’ bedoelen we ‘gelinkt aan de realiteit’.  Alles in de wereld is verbonden met elkaar, die verbondenheid ontdek je gaandeweg samen op school. Betekenisvolle taken zullen dus vaak meervoudig en veelzijdig zijn, hoewel dit niet altijd het geval hoeft te zijn. Leerlingen beheersen leerstof pas wanneer ze deze gebruiken bij levensechte taken, zoals het levend leren op sommige scholen. De betekenis komt dus voort uit een mate van complexiteit en uit de link met de realiteit. Een taak wordt niet louter aangeboden omdat het in een handboek staat. Er is nagedacht over de leeractiviteiten die de leerlingen worden aangeboden: ‘Is de link met de echte wereld duidelijk in de taak of staat ze los van alle realiteit?’ Rekening houden met deze vraag zorgt ervoor dat het voor leerlingen duidelijk is waarom ze een opdracht uitvoeren. Zo’n opdracht heeft dan ook meer kans om betekenisvol te zijn voor de leerlingen.  

De complexiteit van het samenleven kan ten volle verkend worden wanneer men denkt vanuit een ‘open-deuren-didactiek’. We proberen de deuren open te zetten tussen de verschillende klaslokalen, leergebieden en hersenfuncties. Dit uit zich in leergebiedoverschrijdende taken en doelen, projectmatig werk maar ook in soepele vormen om leerlingengroepen samen te stellen (graadklassen, leefgroepen…). Opnieuw worden ook de deuren van de school opengezet voor de omgeving en de gemeenschap. 

Enkel door levensecht en betekenisvol te onderwijzen, ervaren leerlingen het belang van levenslang leren. Wat op school geleerd wordt, betekent iets en getuigt van een visie, dat geeft leerlingen en begeleiders energie om te blijven leren van de wereld en van elkaar. Die energie is cruciaal in de missie die we met FOPEM-scholen hebben, namelijk een harmonisch ontwikkelingskader en een rechtvaardige samenleving nastreven.  

4. Handelingspatroon: INSPRAAK EN VERANTWOORDELIJKHEID 

FOPEM-scholen streven naar een participatie-gerichte en emancipatorische werking. Inspraak en verantwoordelijkheid zijn dus streefdoelen in elke school. Zowel leerlingen als leerkrachten worden gestimuleerd in hun verantwoordelijkheidszin. Iedereen heeft een mate van inspraak, alle stemmen zijn even belangrijk. Deze waarden tonen zich in de vragen die FOPEM-scholen zich vaak stellen: ‘Hoe lossen we een vraag op waar we in de ronde op botsen?’ ‘Hoe vervullen we samen een concrete nood in onze school of misschien zelfs in de buurt?’ Maar ook: ‘Hoe gaat het schoolteam om met verschillende situaties?’ Kortom, er is een constant afstemmingsproces aan de gang in de werking van de school.  

Leerlingen, maar ook leerkrachten hebben daarnaast het recht om te weten hoe ver ze staan in hun ontwikkelingsproces en hoe hun manier van leren specifiek verloopt. Bovendien zorgt deze verantwoordelijkheid ervoor dat leerlingen een grote betekenis en waarde aan hun leerstof geven, hierdoor blijft wat ze leren ook beter hangen. Heel wat scholen werken daarom met groeimappen of zelfevaluatie omdat ze geloven in het eigenaarschap en zeggenschap van de leerlingen over hun eigen leerproces. Leerkrachten redeneren vanuit de liefde voor de leerstof: ze willen dat zoveel mogelijk leerlingen zoveel mogelijk dingen leren over de wereld.  

5. Methode: SPIRAALLEREN

FOPEM-scholen willen een kader uitbouwen waar mensen zich optimaal kunnen ontwikkelen. Hun methodes gaan dan ook uit van de volgende veronderstelling: ‘Leren gebeurt op een onvoorspelbare manier die niet altijd meetbaar is’. Elke leerling heeft namelijk een ander startpunt en eigen interesses. Concepten en leerstof moeten dus geregeld herhaald worden, in een andere context geplaatst worden, op verschillende manieren ingeoefend en toegepast worden. Kortom, leren is het resultaat van herhaalde ontmoetingen met gelijkaardige inhouden, ook welcyclisch leren genoemd. Dit betekent niet dat we in rondjes draaien maar dat er steeds wordt voortgebouwd op beheerste kennis, vaardigheden of zelfs schooltradities. Daarom spreken we liever over spiraalleren: we raken iedere keer dezelfde concepten aan maar gaan er bij iedere aanraking dieper op in en tonen ook steeds duidelijker de verbinding tussen alle concepten. Leren verloopt dus als een opwaartse spiraal: hetzelfde maar dan iedere keer anders, dieper en breder. Aan de slag gaan met wat leerlingen al weten, dit verdiepen en verbreden en zo echt iets nieuw aanleren dat tóch geworteld is: de zone van naaste ontwikkeling vormt de kern van dit spiraalleren. Wanneer je daarnaast als leerling merkt dat je de tijd krijgt om iets te doorwroeten en dat op je eigen tempo mag doen, zonder daarbij afgezonderd te zijn van de klasgroep of van andere leerstof, geeft dit energie om te leren; energie die je nodig hebt om in die opwaartse spiraal omhoog te geraken.  

6. Methode: SOEPELE LEERLIJNEN 

Aangezien de meeste mensen via een opwaartse spiraal leren, is het aangewezen om te onderwijzen met behulp van soepele leerlijnen. Elke leerling leert anders, de ene zal snel tot inzicht komen maar meer tijd nodig hebben om iets te doen met dat inzicht; de andere zal veel tijd nodig hebben om een bepaalde klik te maken maar dan ook meteen in een stroomversnelling van leren terecht komen. In elke klasgroep heb je verschillende leerstijlen. Die moeilijkheid pak je het best aan door geïntegreerd te leren in een spiraal. Studievoortgang geldt als een indicator van kwalitatief onderwijs, de FOPEM-scholen willen dit via de soepele leerlijnen opnemen in hun kwaliteitsbeleid. Leren wil je energie opleveren, strikte leerlijnen kunnen ervoor zorgen dat leerlingen blijven steken op één aspect en de moed verliezen. Door uit te gaan van soepele leerlijnen willen we ervoor zorgen dat leerlingen de kans krijgen om op hun tempo de doelen te bereiken. Een soepele leerlijn laat de afstemming tussen inhouden, individuen en de klasgroep toe. 

Dit leerplan is niet opgebouwd volgens leeftijdsgroepen, maar volgens de voorkennis. De soepele leerlijnen zijn hier dus het principe dat we nastreven waarbij elke leerling de klik kan maken wanneer de leerling er klaar voor is. Het werkinstrument om hiernaar te streven is de leerspiraal. De zone van naaste ontwikkelingen de ervaringscyclus zijn de kern van dit principe, leerlingen krijgen hierdoor de kans om de complexe wereld zoals ze die ervaren op een gepaste manier te begrijpen. Hoewel elke leerling in theorie een eigen soepele leerlijn heeft, blijven we de nadruk leggen op het belang van interactie en samenwerking bij het leren. Leren komt tot stand in groep. 

Het kader voor deze soepele leerlijnen zijn de ontwikkelingsdoelen en eindtermen. Elk kind heeft recht op goed onderwijs, bovendien heeft het onderwijs een belangrijke positie in onze samenleving. Samen met ouders geven scholen namelijk mee vorm aan de opvoeding van de toekomstige generatie. De eindtermen beschermen het kinderrecht op goed onderwijs en geven daarnaast aan dat leerlingen mee bouwen aan de toekomstige samenleving.  Dit betekent niet dat onderwijs steeds vertrekt vanuit elke ervaring van een leerling. Dit betekent wel dat we vanuit spontane vragen of gestuurde ervaringen kunnen vertrekken om leerinhouden aan op te hangen. De link naar een concrete ervaring werkt verhelderend, zet de complexiteit van de realiteit in de verf en toont dat alles in de wereld met elkaar verbonden is. Deze manier van werken stimuleert op zijn beurt het streven naar leergebiedoverschrijdende taken, het inbedden in projecten en het opentrekken van de school naar een bredere omgeving.