Ervaringsgericht onderwijs

Ervaringsgericht onderwijs (EGO) is een onderwijsconcept dat ontwikkeld is door Prof. Ferre Laevers in Leuven. Ervaringsgericht onderwijs richt zich op wat er in kinderen omgaat en gaat uit van welbevinden en betrokkenheid.

Het symbool van E.G.O. is een tempel met drie pijlers:

 

 

  • Rijk milieu: Er wordt een sterke klas- en schoolomgeving gecreëerd met voor kinderen interessante, uitdagende materialen en activiteiten. Kunnen we die ‘rijkdom’ niet in de klas bieden dan zoeken we die buiten de klassen op. Denk maar aan de activiteiten op de boerderij van boer Frans, de korte en lange uitstappen in de lagere school, onze eigen boerderij op school en zo meer.
  •  Het vrije initiatief: Het vrije initiatief beoogt het verhogen van de betrokkenheid. In de kleuterklassen is er een grote waaier aan aanbod voor de kleuters. Wat we zelf kunnen kiezen boeit ons meer dan hetgeen opgelegd wordt. We zoeken naar leerkansen door kinderen vrij initiatief te laten nemen. In de praatrondes komen diverse onderwerpen bij de kinderen naar boven. Leerkrachten spelen hierop in en maken zo de kinderen betrokken bij wat ze doen.
  • Ervaringsgerichte dialoog: De ervaringsgerichte dialoog helpt de leerkracht om een goede relatie met de kinderen op te bouwen en hen zo goed mogelijk te begrijpen en te begeleiden. In de werking tussen leerkracht en kind zoekt de leerkracht steeds naar activiteiten die kinderen in de naaste zone van hun ontwikkeling aanspreken.

 

Door bevrijdingsprocessen helpen we kinderen gevoelens te erkennen en te aanvaarden. We helpen ze situaties te doorzien en begrijpen en gevoelens een plek te geven. Voor het ene kind is dit makkelijker dan voor een ander. Op de Wonder-wijzer houden we rekening met de mogelijkheden van kinderen. In de mate van het mogelijke ontwikkelen kinderen op hun eigen tempo.

Creatieve processen brengen ontwikkeling en leren op gang. We spreken dan over ‘fundamenteel leren’ dat werkelijk iets toevoegt aan mogelijkheden van kinderen. Hierdoor zetten kinderen een stap in hun ontwikkeling die leidt tot andere gedragsmogelijkheden. Het spreekt voor zich dat deze processen niet steeds gelijktijdig lopen voor alle kinderen. Het is dus best mogelijk dat kinderen les volgen in een klas hoger of lager dan hun leeftijdsgenoten, volledig of ten dele.

Emancipatie is het einddoel van ervaringsgericht onderwijs: het kind is in harmonie met zichzelf, is emotioneel evenwichtig en geestelijk vitaal waardoor het de mogelijkheden die het in zich heeft ten volle kan benutten en als een sociaal persoon kan functioneren.

Door de gehele basisschool wordt gewerkt met aandacht voor 5 factoren die de betrokkenheid van kinderen verhogen:

  1. Sfeer en relatie –> Het is van belang dat kinderen zich veilig en geaccepteerd voelen
  2. Aanpassing aan het niveau –> Kinderen moeten de uitdaging voor activiteiten voelen.
  3. Werkelijkheidsnabijheid –> Activiteiten die raken aan de leef- en (be)leefwereld van de kinderen worden als zinvol ervaren.
  4. Activiteit –> Kinderen kunnen niet lang luisteren. Er moet van alles te doen zijn. Rust en activiteit hoeven elkaar niet in de weg te staan!
  5. Vrij initiatief –> Het gaat erom dat kinderen hun ontwikkelingspotentieel aanspreken. Daarvoor moeten ze eigen keuzemogelijkheden krijgen.

Hierbij horen een aantal werkvormen die de processen ondersteunen:

  1. Kring of praatronde  en Forum
  2. Contractwerk
  3. Projectwerk
  4. Ateliers
  5. Vrije keuze